Overbetuwe

projectgebied

TNO-GDN heeft in 2020 een nader onderzoek uitgevoerd naar de ondergrond van de regio Overbetuwe. De nadruk ligt daarbij op de verbreiding en dikte van belangrijke weerstandbiedende lagen in de ondergrond tot een diepte van circa NAP  - 40 m: de eerste kleiige eenheid van de Formatie van Waalre (WAk1) en de keileem van het Laagpakket van Gieten van de Formatie van Drente (DRGIk1).

De resultaten van het onderzoek zijn beschikbaar als download van een ZIP-file: 20201223_TNO_eindrapportage_Overbetuwe.zip (80 MB).

Op basis van handmatige interpretaties van ondergrondgegevens uit de REGIS II v2.2 selectieset, aangevuld met 35 boorbeschrijvingen / boorgatmetingen, 26 sonderingen en een vergelijking van stijghoogtemetingen in filterparen in 21 waarnemingsputten, is het inzicht vergroot (ten opzichte van REGIS II v2.2) in de verbreiding en de dikte van WAk1 en DRGIk1 in de Overbetuwe. Daarnaast is op basis van de geconstrueerde geologische profielen de consistentie in de stratigrafische interpretaties van de kleilagen verbeterd. Tot slot heeft het nader onderzoek geleid tot aanbevelingen voor aanvullend onderzoek naar verbreiding en dikte van genoemde lagen, en naar de samendrukbaarheid van WAk1.

Een belangrijke bevinding op basis van de geïnterpreteerde kleidikten is dat de gaten in de huidige REGIS II v2.2 kleiverbreidingen kleiner zijn. Naar aanleiding van deze bevinding zijn de verbreidingen van WAk1 en DRGIk1 op enkele plaatsen aangepast.

In een aantal gebieden is de onzekerheid over de dikte en/of de aanwezigheid van klei relatief groot. Aanvullend onderzoek naar de ondergrond is geformuleerd waar die gebieden vlakbij Vitens-waterwingebieden liggen, door de Provincie Gelderland worden onderzocht als mogelijke bouwstenen voor aanvullende strategische watervoorraden, of waar een specifieke problematiek aan de orde is.

Het aanbevolen aanvullende onderzoek naar kleiverbreiding en -dikte bestaat hoofdzakelijk uit sonderingen met een richtdiepte van NAP -45 m. Sonderingen zijn een betrouwbare en relatief goedkope manier om de ondergrond in beeld te brengen. Met de huidige inzichten is het in deze fase niet zinvol om de samendrukbaarheid van WAk1 te bepalen, omdat het nu nog onduidelijk is of daarmee een eventuele bijdrage van WAk1 aan ongelijkmatige maaiveldzakking te kwantificeren is. Om dit vast te stellen wordt aanbevolen om eerst de hiervoor benodigde geologische en geotechnische kennis te verzamelen.